Welzijn, ook wel beschreven als een toestand waarin een dier zijn behoeften kan bevredigen of als de balans tussen positieve en negatieve ervaringen, kan op verschillende manieren op waarde geschat worden.
Ten tweede kan het welzijn gemeten worden aan de hand van de 5 vrijheden, waarbij een in goed welzijn verkerend dier:
- Vrij zijn van dorst, honger en ondervoeding (door de beschikbaarheid van vers water en voer waarmee een optimale gezondheid en energiehuishouding wordt gegarandeerd)
- Vrij zijn van fysiek en fysiologisch ongerief (door een geschikte huisvesting te bieden, inclusief een comfortabele rust- en schuilplaats)
- Vrij zijn van pijn en verwondingen en ziektes (door deze te voorkomen en indien deze toch optreden door ze snel en adequaat te diagnosticeren en te behandelen)
- Vrij zijn om het natuurlijke gedrag te kunnen uitvoeren (door voldoende bewegingsvrijheid te geven, in een daartoe geschikte stalruimte, en door sociale huisvesting met soortgenoten)**
- Vrij zijn van angst en chronische stress (door huisvesting en management die angst en stress voorkomen)**
Om te beginnen kan de staat van welzijn worden ingeschat aan de hand van een aantal variablen, opgesteld door Dhr. Fraser, onderzoeker van het dierenwelzijn en schrijven van diverse boeken hierover waaronder "Farm Animal Behaviour and Welfare" (1990).
Type 1 variabelen bevat hierbij omstandigheden die meetbaar zijn, zoals bijvoorbeeld het aantal stereotypen* dat een dier vertoont, de concentratie adrenaline en cortisol (stresshormonen) in het bloed en de immuunrespons die vertoont wordt na infectie.
Type 2 variabelen kunnen min of meer objectief geschat worden, soms gebaseerd op type 1 variabelen, waaronder bijvoorbeeld de kans op pootgebreken valt bij een bepaald stalontwerp of de kans op een reproductiestoring.
Type 3 variabelen bestaat uit een cominatie van beide type 1 en type 2 variabelen.
Ten slotte kan op basis van het analogiepostulaat nog een inschatting gemaakt worden van het welzijn. Dit houdt in dat op basis van homologie tussen mens en dier (gelijkenis in bouw en functie) een indicatie kunnen geven van de belevenis van een dier in een bepaalde situatie.
Van chronische stress wordt gesproken wanneer een individu langdurig bloot gesteld wordt aan belastende omstandigheden. Indicatoren hiervoor, tevens indicatoren voor een in slecht welzijn verkerend dier zijn:
1. gestoord gedrag
2. orgaanbeschadigingen
3. verlaagde reproductie
4. verhoogde ziektegevoeligheid
5. angst/ pijnuitdrukkingen
6. verlaagde vitaliteit
7. lage of juist hoge anticipatie op iets leuks
* stereotype gedrag: een constante, zich herhalende en schijnbaar doelloze gedraging (bv
luchtzuigen bij paarden, staartbijten bij honden)
** met betrekking tot vrijheid 4 moet men over kennis beschikken betreffende het natuurlijke gedrag van
een bepaalde diersoort.
*** met betrekking tot vrijheid 5 wordt een afbakening van begrip chronische stress nagestreefd.